Geschiedenis onderzoek naar gebruik PEA: de rol van het EMG

0
1029

Ontstaan van inzichten in de chronische en acute pijn bij hernia, de beklemming van de nervus ischiadicus en de rol van het EMG,

deel 3: de rol van het EMG.

Prof. dr. D. van der Most van Spijk (1920 – 2009) was hoogleraar te Utrecht met als leeropdracht de elektro-neurologie, in het bijzonder de pathofysiologie van neuro-musculair aandoeningen. Zijn proefschrift had als titel: Ischias. Klinische en electromyografische aspecten. Zijn Promotor was de bekende Nederlandse hoogleraar Prof. dr. W.G. Sillevis Smit, voorkoper van Prof. dr. A. Kemp (1911 – 2003) en Professor J. van Gijn in Utrecht.

Het boeiende is dat sinds het begin van deze eeuw er een natuurlijke behandeling mogelijk is van de ischias pijn, met het supplement palmitoylethanolamide, bekend onder de naam PeaPlex. Dit supplement beschermt de zenuwen en steunt herstel, terwijl het pijn verminderen kan. Vele patienten met hernia pijn varen er wel bij.

Voor pijnstilling en ontstekingsremming verkiezen de meeste patiënten:

  • de in Nederland geproduceerde PEA-capsules van Russell
  • de in Italië geproduceerde PEA-tabletten van Epitech

Stoornissen in de geleiding van zenuwen bij hernia

De genoemde electrische verschijnselen werden in 1791 ontdekt door Luigi Galvani, hoogleraar in de anatomie te Bologna. Galvani nam waar, dat spieren tijdens een contractie een electrische stroom produceerden. Thans weet men, dat de electrische activiteit in spieren samenhangt met ontladingen, die zich in de spiervezels voordoen. Deze ontladingen kunnen worden geïnduceerd door impulsen, die afkomstig zijn uit het zenuwstelsel. Elke motorische zenuwcel staat namelijk door middel van een uitloper (axon) in verbinding met een aantal spier- vezels. Deze spiervezels worden door een motorische impuls uit de zenuwcel bijna gelijktijdig geactiveerd. De motorische zenuwcel vormt aldus tezamen met de spiervezels, die zij innerveert, een functionele eenheid, waaraan Liddell en Sherrington (1925) de naam motor unit (motorische eenheid) gaven. De potentiaalschommelingen, die tijdens een spiercontractie aan het oppervlak van de spier kunnen worden waargenomen, mogen worden beschouwd als de som van de potentiaal- schommelingen, die zich langs de afzonderlijke spiervezels voortplanten. Een potentiaalschommeling, die zich langs spiervezels voortplant, noemt men een actie-potentiaal. De actie-potentialen van de tot een motorische eenheid behorende spiervezels summeren tot z.g. motor unit potentialen, die bij lichte aanspanning van de spier als afzonderlijke potentialen kunnen worden onderscheiden (zie hoofdstuk V). Deze motor unit potentialen werden voor het eerst geregistreerd door Denny-Brown (1929) en door Adrian en Bronk (1929). Van klinische toepassing der electromyografie werd echter pas in 1938 melding gemaakt (Denny-Brown en Pennybacker). Haar betekenis voor het neurologisch onderzoek ontleende de electromyografie vooral aan de ontdekking der fibrillatie-potentialen. Fibrillaties, in de vorm van zeer fijne spiercontracties waren reeds veel eerder bekend. Schift had reeds in 1851 dergelijke contracties beschreven in de tong van honden. Deze samentrekkingen van spiervezels kon hij steeds op de vijfde dag na doorsnijding van de n. hypoglossus waarnemen. Aan deze waarnemingen werd echter weinig aandacht besteed tot in 1915 Langley en Kato een soortgelijk phenomeen beschreven. Van fibrillatiepotentialen werd in 1928 voor het eerst gewag gemaakt door Proebster, die hierin een activiteit, afkomstig uit het centrale zenuwstelsel, meende te zien. In 1938 stelden Denny-Brown en Pennybacker echter vast, dat de potentialen, die zij via een concentrische naaldelectrode van de spieren van een lijder aan amyotrophische lateraalsclerose afleidden, identiek waren aan de potentialen, die in de spieren van een kat, na doorsnijding van de zenuw, werden gezien. Weddell, Feinstein en Pattle (1944) wijdden een uitvoerige studie aan deze fibrillatie- potentialen. Zij stelden bovendien vast, dat de fibrillaties, die met deze potentialen gepaard gingen, niet zichtbaar waren door de huid heen en niet door de patienten zelf konden worden waargenomen. Zij constateerden, dat fibrillatie-potentialen in menselijke spieren pas 18-21 dagen na denervatie der spieren ontstonden; in de musculi erectores spinae echter reeds op de 12e-14e dag. Latere onderzoekers wezen op de aanwezigheid van nog andere electrische verschijnselen in de gedenerveerde spier. Hiertoe moeten de positieve denervatie-potentialen worden gerekend, die evenals de fibrillatie-potentialen gewoonlijk als denervatie-potentialen worden aangeduid. De ontwikkeling van de klinische electromyografie is vooral te danken aan het werk van Buchthal (1957), die men de vader van de klinische electromyografie zou kunnen noemen.

Toepassing van het EMG bij hernia pijn en ischias beklemming

De eerste mededeling over de toepassing van de electromyografie bij het onderzoek van patienten met wortelletsels kwam van Shea, Woods en Werden (1950). Deze auteurs toetsten de uitkomsten van electro- myografisch en myelografisch onderzoek aan de afwijkingen, die bij de operatie van 60 patienten met een discusprolaps waren gevonden. Zij kwamen tot de conclusie, dat electromyografie in een hoger percentage der gevallen (90%) tot een juiste localisatie van de discusprolaps leidde dan myelografie (87%). In vrijwel alle volgende publicaties, die de toepassing van electromyografie in de diagnostiek van wortelletsels vermeldden werden de uitkomsten van het electromyografisch onderzoek met die van het myelografisch onderzoek vergeleken: Op grond van een groot aantal waarnemingen concludeerde Marinacci (1955), dat beide methodes gelijke kansen hebben bij het localiseren van een wortelaandoening. Shea en Woods rapporteerden in 1956 over 354 gevallen van discusprolaps. De electromyograflsche diagnose werd in 91,8% en de myelografische diagnose in 79,8% van deze gevallen door de operatie bevestigd. Bij Crue, Pudenz en Shelden (1957) kwam de electromyografie er minder gunstig af. Hun onderzoek betrof 136 patienten, die allen werden geopereerd wegens een discushernia. Electromyografie gaf hier in 66% en myelografie in 78,5% der gevallen de Juiste localisatie van de aandoening aan. Laatstgenoemde onderzoekers betrokken evenals Marinacci de rugspieren in hun onderzoek. Andere auteurs, die schreven over de toepassing van electromyografie in het onderzoek van patienten met radiculaire stoornissen zijn Bonner en Schmidt (1957), Mendelsohn en Sola (1958), Golseth (1950), von Hagen (1955), Kambin e.a. (1962), Kaeser (1963) en schrijver dezes (1964). Een zeer uitvoerige studie wijdde Knutsson (1961) aan dit onderwerp. Hij betrok in zijn studie niet alleen de uitkomsten van de electromyografie en myelografie, maar ook die van het neurologisch onderzoek. Zijn onderzoek betrof 205 patienten, die wegens een radiculair syndroom werden geopereerd. De conclusie van Knutsson was, dat neurologisch onderzoek, myelografie en electromyografie respectievelijk in 76,3%, 76,1% en 77,6% der gevallen in staat zijn om de radiculaire stoornis te localiseren.

Hieruit blijkt duidelijk, dat de genoemde methodes van onderzoek ongeveer gelijke kansen hebben om de aandoening van een wortel te localiseren. De waarde van een methode van onderzoek kan echter moeilijk worden beoordeeld naar de kansen, die zij in vergelijking met andere methodes biedt op de juiste localisatie van de stoornis. Iedere methode heeft haar eigen verdiensten en is uit dien hoofde niet vergelijkbaar met andere methodes. In de meeste der bovengenoemde publicaties werd dit te veel uit het oog verloren. Electromyografie en myelografie geven immers informatie met betrekking tot geheel verschillende zaken. De electromyografie, toegepast in het onderzoek van lumbale wortellaesies, leert alleen iets over de functie der wortels. De myelografie daarentegen vermag het bestaan van impedimenten binnen het wervelkanaal aan te tonen. In principe is de electromyografie niet in staat om iets over het bestaan of de localisatie van een discusprolaps te zeggen. Zij geeft alleen informatie met betrekking tot functionele afwijkingen. Voor de myelografie geldt op haar beurt, dat zij in principe niet in staat is om iets over de functie van een wortel te zeggen. Zij geeft slechts informatie met betrekking tot anatomische afwijkingen.

Betekenis van de Electromyografie

De betekenis van de electromyografie kan dan ook niet worden vastgesteld door haar resultaten met die van andere onderzoekingsmethodes te vergelijken. Haar betekenis voor de neurologie ligt vooral in het feit, dat zij aangaande spier- en zenuwstelsel informaties kan verschaffen, die niet op enigerlei andere wijze kunnen worden verkregen.

Op welke wijze de electromyografie een bijdrage kan leveren aan het neurologisch onderzoek werd in de volgende hoofdstukken van zijn proefschrift besproken.

Prof. dr. D. van der Most van Spijk

Prof. dr. D. van der Most van Spijk (1920 – 2009)

Aanbeveling voor de keuze van een PEA product

Medici en deskundigen raden PEA producten aan die gedurende geruime tijd onder hun toezicht zijn onderzocht op het gebied van functionaliteit en veiligheid en waarvan eveneens is bewezen dat na inname van een dergelijk product de meetbare hoeveelheid PEA in het bloed is gestegen.

Tot nu toe zijn dit slechts PEA producten, die als inhoud hebben gepatenteerde micro PEA.

De in Nederland geproduceerde capsules met PEA-opt keurmerk en de in Italië gefabriceerde PEA-m en PEA-um tabletten bevatten deze gepatenteerde micro-PEA.

 

DELEN

LAAT EEN REACTIE ACHTER