Geschiedenis onderzoek naar gebruik PEA: de rol van hernia bij ischias pijn

0
517

Ontstaan van inzichten in de chronische en acute pijn bij hernia, de beklemming van de nervus ischiadicus en de rol van het EMG,

deel 2: de rol van hernia bij ischias pijn.

Prof. dr. D. van der Most van Spijk (1920 – 2009) was hoogleraar te Utrecht met als leeropdracht de elektro-neurologie, in het bijzonder de pathofysiologie van neuro-musculair aandoeningen. Zijn proefschrift had als titel: Ischias. Klinische en electromyografische aspecten. Zijn Promotor was de bekende Nederlandse hoogleraar Prof. dr. W.G. Sillevis Smit, voorkoper van Prof. dr. A. Kemp (1911 – 2003) en Professor J. van Gijn in Utrecht.

Het boeiende is dat sinds het begin van deze eeuw er een natuurlijke behandeling mogelijk is van de ischias pijn, met het supplement palmitoylethanolamide, bekend onder de naam PeaPlex. Dit supplement beschermt de zenuwen en steunt herstel, terwijl het pijn verminderen kan. Vele patienten met hernia pijn varen er wel bij.

Voor pijnstilling en ontstekingsremming verkiezen de meeste patiënten:

  • de in Nederland geproduceerde PEA-capsules van Russell
  • de in Italië geproduceerde PEA-tabletten van Epitech

Het ontstaan van inzicht in de rol van een hernia bij ischias pijn

In 1896 had Kocher reeds gerapporteerd over een traumatisch letsel van de discus tussen de eerste en tweede lumbale wervel. Baanbrekend werk met betrekking tot het onderzoek van de discus intervertebralis werd verricht door Schmorl (1927). Deze onderzoeker beschreef de z.g. Knorpelknötchen als gevolg van rupturen van de tussenwervelschijf. Deze Knorpelknötchen zouden berusten op het binnendringen van een nucleus pulposus in de spongiosa van het wervellichaam. In een latere publicatie sprak Schmorl (1929) ook van ‘hintere Knorpelknötchen’, waarbij de nucleus pulposus niet in het wervellichaam, maar in het wervelkanaal werd uitgestulpt. Het verband tussen deze rupturen van de tussenwervelschijf en het symptomencomplex der ischias werd echter pas gelegd in 1929, in Frankrijk door Alajouanine en Petit-Dutaillis en in Amerika door Dandy.
Niet alle onderzoekers zochten de oorzaak van de ischias in wortel- aandoeningen. Sommigen meenden, dat de n. ischiadicus werd gecomprimeerd door de m. pyriformis. Dit was reeds een oude theorie, die, in 1876 door Helleday gelanceerd, steun vond bij Petrén (1908), Beaton en Ansom (1938) en Haggart (1938). Anderen achtten een myopathie verantwoordelijk voor de ischias-pijnen (Ingvar, 1936). Ook werden de in 1893 door Mackenzie ontwikkelde theorieën betreffende de viscero-sensibele reflex in de aetiologie van de ischias betrokken. Zo beschouwden Kellgren (1938) en Lewis (1942) de ischias als een: ‘referred pain’, uitgaande van gewrichten, gewrichtskapsels of ligamenten in het lumbosacrale gebied. Bij von Reis (1945) kwam de ischias arthritica van Cotugno weer op de voorgrond, toen hij de uitstralende pijn bij arthrosis deformans coxae beschreef als een ‘referred pain’, die voornamelijk in het innervatie-gebied van de 4° lumbale wortel was gelocaliseerd.

Eerste inzichten in discus pathologie als oorzaak van hernia pijnen

Alle pogingen om een bevredigende verklaring te vinden voor het ontstaan van ischias werden echter in de schaduw gesteld door een reeks publicaties, die verband legden tussen discusafwijkingen en ischias. Wij noemden reeds de geschriften, waarin Alajouanine en Dandy deze zienswijze verkondigden (1929). In 1934 verscheen vervolgens van de hand van Mixter en Barr een eerste publicatie, waarin het bewijs werd geleverd, dat ischias vaak het belangrijkste symptoom was bij een ruptuur van de tussenwervelschijf. De schrijvers toonden aan, dat de pijn bij deze afwijking wordt veroorzaakt doordat de naar buiten dringende nucleus pulposus op de wortel drukt. Wij zullen hier niet verder ingaan op de grote reeks van mededelingen, die dit bevestigden. We noemen slechts het bericht van Lenshoek (1937) over de drie eerste in ons land geopereerde patienten en de rapporten over grote series operaties van Love en Walsh (1938, 1940) en van Dandy (1943 1947).

De ontdekking van de discusprolaps

Met de ontdekking van de discusprolaps werd een nieuwe aera ingeluid in de klinische diagnostiek der ischias. Enerzijds stelde de chirurgische behandeling hogere eisen aan de neurologische diagnostiek, anderzijds bood zij de mogelijkheid tot controle van de diagnose. Al spoedig bleek, dat niet altijd een discusprolaps verantwoordelijk was voor het ontstaan van de ischias. Zo werd bij vier van de eerste 25 patienten, die onder de diagnose discusprolaps in de Utrechtse Kliniek voor Neurologie ter operatie kwamen, geen discusprolaps gevonden. Bij twee van hen werd een verdikt ligamentum flavum, bij één een varicosis spinalis en bij de vierde patient geen afwijking gevonden (van Loon, 1942).

Neurochirurgische behandeling van de hernia

De uitbreiding, die de neurochirurgische behandeling aan het therapeutisch arsenaal gaf, ging vanzelfsprekend gepaard met de wens naar uitbreiding der diagnostische mogelijkheden. Wat het klinisch neurologisch onderzoek betrof, ontstond dan ook een hernieuwde belangstelling voor de segmentale huid-innervatie, de overlapping der dermatomen, etc. (Keegan, 1943). Ook de segmentale innervatie der spieren kreeg grotere aandacht dan voorheen. Het onderzoek hiervan was echter moeilijker, omdat de spieren minder toegankelijk waren dan de huid. Nieuwe methoden van onderzoek werden geïntroduceerd (teken van Naffziger (1935), teken van Kemp (1950), enz.).

Röntgenonderzoek bij behandeling van een hernia

Naast uitbreiding en verfijning van het neurologisch onderzoek werd ook meer dan vroeger gebruik gemaakt van röntgenonderzoek. Op het gebied van de röntgenologie waren inmiddels nieuwe methoden van onderzoek ontwikkeld. Zo was door Sicard en Forestier (1921) gewezen op de mogelijkheid om met behulp van contrastmiddelen afwijkingen in de buurt van de cauda equina zichtbaar te maken. Deze wijze van onderzoek, die in 1924 in ons land werd geïntroduceerd door Sillevis Smitt, bleek al spoedig van groot nut bij het localiseren van discusherniae. Ook de oorspronkelijk door Sicard en Forestier bedoelde methode van peridurografie vond ingang. Deze methode, door Kramer (1950) aangeduid als canalografie, werd ten onzent uitvoerig besproken door Luyendijk (1962). In 1948 deed bovendien de door Lindblom ontwikkelde methode der discografie haar intrede. Door inspuiting van het contrastmiddel in de discus intervertebralis konden rupturen e.d. in deze laatste zichtbaar worden gemaakt. Naast voordelen bleken aan deze methode van onderzoek echter ook nadelen verbonden te zijn. Van verschillende zijden verschenen mededelingen betreffende complicaties als gevolg van de gebruikte contrastmiddelen. Na de vervanging van het lipiodol door het pantopaque of ethiodan (1943) werden minder complicaties gezien. In latere jaren ging men de schadelijke invloed der röntgenstralen echter zwaarder wegen. Hoewel ook dit bezwaar ten dele ondervangen kon worden, meenden toch vele auteurs, dat het onderzoek met contrastmiddelen zoveel mogelijk moest worden beperkt. Alleen in sommige gevallen, waarin het neurologisch onderzoek ten aanzien van de diagnose twijfel overliet, achtten zij de toepassing van deze methoden geïndiceerd. Andere auteurs echter beschouwden de genoemde methodes als een noodzakelijk onderdeel van hun onderzoek. Hoe ook de meningen en gewoonten ten aanzien van dit punt wisselden, het neurologisch onderzoek van de patient bleef ten alle tijde ‘pièce de resistance’ in de diagnostiek.
De betekenis van dit onderzoek nam nog toe, toen het zich na de tweede wereldoorlog met nieuwe technische hulpmiddelen zag uitgerust. Met gebruikmaking van electronische apparatuur bleek het mogelijk om diverse functies van het zenuwstelsel nog nauwkeuriger dan voorheen te onderzoeken. Een van deze nieuwe methodes van neurologisch onderzoek was de electromyografie. Deze methode stelde de onderzoeker in staat om door registratie van electrische verschijnselen in spieren informatie te verkrijgen over de functie der perifere zenuwen.

Onderzoeker naar het gebruik van PEA bij Ischias

Prof. dr. D. van der Most van Spijk (1920 – 2009)

Aanbeveling voor de keuze van een PEA product

Medici en experts adviseren PEA producten aan, die uitgebreid zijn gecontroleerd op veiligheid en werkzaamheid. Van deze PEA producten is eveneens aangetoond dat de meetbare hoeveelheid PEA in het bloed is verhoogd na inname van deze gecontroleerde PEA producten.

Tot nog toe worden dus geadviseerd PEA producten die micro-PEA als inhoud hebben.

Micro-PEA producten zijn de Nederlandse Pea-opt capsules en de Italiaanse PEA-um en PEA-m tabletten.

DELEN

LAAT EEN REACTIE ACHTER