Stuk gaan van de isolatie van de zenuw: het geleidingsblok

0
257

Stuk gaan van de isolatie van de zenuw: het geleidingsblok

Normaal is de geleidingstijd tussen twee knopen van Ranvier bijzonder kort, ongeveer 20 µs. Nu zal het duidelijk zijn dat hoe minder knopen van Ranvier per lengte-eenheid van de zenuw er zijn, des te minder tijd de voortgeleiding dus zal kosten.

Demyelinisatie: omhulling zenuw gaat stuk

Dikkere zenuwvezels hebben een grotere afstand tussen de knopen van Ranvier, en daardoor hebben ze ook een hogere voort geleidingssnelheid. Als de omhulling stuk gaat, spreken we dus van demyelinisatie. Het zal duidelijk zijn dat demyelinisatie leidt tot verlies van de normale isolerende werking van de myelineschede. Hierdoor lekt die capacitatieve stroom door die beschadiging als een soort lekstroom, en dat houdt in dat bij de volgende knoop van Ranvier er veel minder stroom komt. Dan duurt het ook langer voordat er genoeg stroomverschil is opgetreden zodat daar een nieuwe actiepotentiaal kan ontstaan.

Demyelinisatie: omhulling zenuw gaat stuk

Gevolg demyelinisatie: vertraging geleiding

Het resultaat is een vertraging van de geleiding. Dat noemt men de toename van de internodale geleidingstijd. In plaats van 20 duurt het nu 500 µs voordat de stroom verder geleid wordt. Dat is dus een duidelijk lagere voortgeleidingssnelheid! Als de myelineschede nog verder kapot gaat, lekt er nog meer stroom weg en is er niet meer voldoende stroom beschikbaar voor een actiepotentiaal bij de volgende knoop van Ranvier. De voortgeleiding van de actiepotentiaal stopt dan. Neurofysiologen noemen dit de geleidingsblokkade.

Wat ziet de neuroloog op het geleidingsonderzoek? Breder, lager of langer?

Het spreekt vanzelf dat wanneer vele zenuwvezels aangedaan zijn, je dat met het geleidingsonderzoek van de neuroloog kan gaan zien. Dat geleidingsblok is dan duidelijk zichtbaar. Als je dan kijkt naar hoe de impuls bij de spier aankomt, is dat duidelijk afwijkend.

Ten eerste duurt het langer. Dat heet vertraging van de geleidingssnelheid.

Ten tweede verandert de vorm van de elektrische activiteit in de spier. De zogenaamde samengestelde spieractiepotentiaal wordt breder en langer als je de zenuw ver van de spier stimuleert ten opzichte van stimulatie vlak bij de spier.

Dat is wat de neuroloog dan ook doet bij het geleidingsonderzoek van de zenuwen. Stimuleren van de zenuw met elektriciteit op verschillende plekken, vlak bij de spier en ver weg van de spier. Dat is geheel logisch, want bij het geleiden van de elektrische stroom over een langer traject, ontstaat dus steeds meer lekstroom, zodat de boel bij de spier langzamer komt. Dat noemen we temporele dispersie. Dat betekent niets anders dan dat er minder actiepotentialen bij de spier komen, het langer duurt en dat ze zo nu en dan komen, en niet allemaal tegelijk arriveren.

Dus een vertraagde geleiding en een bredere en langere spieractiepotentiaal bij het geleidingsonderzoek geeft aan dat er sprake is van een demyeliniserende aandoening.

Als niet de myelinelaag aangetast is, maar de zenuwvezel zelf, dan ontstaat een andere stoornis in de geleiding. De axonale degeneratie van zenuwen kan leiden tot bijvoorbeeld het verlies van een aantal snel geleidende vezels binnen een zenuw. Dan zie je op het geleidingsonderzoek een langzamere, licht verlaagde maximale geleidingssnelheid. Ook kan je zien dat de totale uitslag van de spieractiepotentiaal lager wordt. Lager worden is anders dan breder en langer, en aan die verschillen maakt de neuroloog uit wat voor soort aandoening het is.

Klinkt strak, is het ook strak?

Het klinkt zo allemaal strak. Maar is het ook strak? Vanuit de kant van neurologen die veel met deze metingen van doen hebben is wel kritiek te horen. Zo zeggen neurologen die onderzoek doen dat de kenmerken van demyelinisatie, die we hierboven besproken hebben, in het algemeen slordig gebruikt worden.

Bij een lichte afname van de geleidingssnelheid doordat de snel geleidende vezels niet meer functioneren, wat je dus ziet bij de zogenaamde axonale neuropathievormen, lees je in de uitslag van het geleidingsonderzoek nog wel eens dat de polyneuropathie demyeliniserend van aard is.

Nou ja, er is nog veel werk te doen. En er zijn neurologen die vinden dat het klinische onderzoek heel veel antwoorden kan geven en dat het aanvullende onderzoek soms de foute antwoorden geeft en alleen in uitzonderingsgevallen zinvol is.

DELEN

LAAT EEN REACTIE ACHTER